Huizen

 

De oudste bouwmaterialen die door zowel de Indiaanse als de Spaanse bewoners voor hun woningen werden gebruikt, waren leem en hout. 
 

De eerste plantagehuizen op het eiland werden al in de zeventiende eeuw gebouwd. Omdat bouwmaterialen uit deze dorre grond schaars waren, werden koraal en steen gebruikt voor de ruwbouw, samen met een specie bestaande uit leem, kalk en zand uit de zee. In 1634 werden bakstenen en dakpannen ingevoerd die hoofdzakelijk werden gebruikt voor detaillering zoals voor bogen, lijsten en dakkapellen. Door gebrek aan voldoende aangevoerd bouwmateriaal werd later koraalsteen en breuksteen gebruikt. De muren werden afgepleisterd met een kalkpleisterlaag en waren daardoor wit. 


De veldslaven bouwden rondom de plantagehuizen kleine plattelandshuisjes (kas di kunuku) van takken, slijk en stro en de huisslaven woonden in kleine, stenen hutten. Na de afschaffing van de slavernij bleef het merendeel van de bevrijde zwarte plattelandsbevolking in dergelijke huisjes wonen maar ze worden tegenwoordig van duurzamere betonblokken en cement gemaakt. 
 

 

Vanaf het eind van de negentiende eeuw werden er steeds meer moderne bouwmaterialen gebruikt voor de normale huizen in de wijken, zoals zinken golfplaten voor dakbedekking of platgeslagen petroleumblikken. Een ander verschijnsel rond de eeuwwisseling was het ontstaan van de plankenwoning. De muren van takken en leem werden vervangen door een raamwerk van balkjes, betimmerd met planken. 

 


 

De elegante topgevels, die zowel de stedelijke herenhuizen als de landelijke landhuizen opsierden, ondergingen in de loop der jaren verschillende stijlveranderingen. De vroegste gebouwen hadden puntvormige daken met driehoekige topgevels. In de achttiende eeuw werden de topgevels gekenmerkt door fantasievolle sierkrullen, die door veel deskundigen beschouwd worden als het hoogtepunt van de Curaçaose architectuur. In het begin van de negentiende eeuw werden de meeste gebouwen voorzien van eenvoudigere, rechte lijnen in de topgevels met een rechthoekige topbeëindiging. 
 


In 1817 werd op voorstel van Dr. Benjamin de Sola bepaald dat ter bescherming van de ogen, de huizen in het stadsdistrict van een kleur moesten worden voorzien. Ook diverse landhuizen kregen toen een kleur. Nergens anders ter wereld is dit specifieke type landhuis te vinden maar met de opkomst van de olie-industrie bleef van de plantages en de landhuizen niet veel meer over. Hoe prachtig de architectonische rijkdommen van Curaçao ook waren, door het gebruik van de lokale bouwmaterialen die zout bevatten ontstond verwering van de pleisterlaag, 'muurkanker'. In 1954 werd daarom de Stichting Monumentenzorg opgericht. Tegenwoordig heeft de Nederlandse regering 'Willemstad' op de prioriteitenlijst voor renovatieprojecten geplaatst en zijn er ongeveer vijf organisaties die zich inzetten voor de bescherming en restauratie van deze architectonische rijkdommen. Volgens een uitgebreid onderzoek door het Monumentenbureau van de overheid zijn er alleen al in Willemstad 750 historische gebouwen die in aanmerking komen voor het predicaat 'monument'. 
 

De datum 4 december 1997 is het historische gedeelte van Willemstad definitief op de werelderfgoedlijst van de United Nations Educational, Scientific and Cultural Organization (UNESCO) geplaatst. De mix van stijlen, de verschillende perioden van ontstaan, culturele invloeden vooral vanuit Nederland beschikbare bouwmaterialen en de klimatologische omstandigheden maken de architectuur op Curaçao uniek.